OVER DE ZIN VAN LEF EN LAF

‘Een held is iemand die ongestraft onvoorzichtig is geweest’, Willem Frederik Hermans

In het buitengewoon interessante en verfrissende artikel ‘De zin van lef en laf’ (*) , breekt adviseur en trainer Joris Brenninkmeijer een lans voor een meer gebalanceerde benadering van deze twee tegenpolen.

Lef en laf: slechts één letter verschil, maar het verschil in waardering kan nauwelijks groter zijn. Lef is een van die stralende waarden die diep in onze culturele waardensysteem en ons collectief onbewuste is ingebakken. Het beeld van de onversaagde ridder die compromisloos voor de rechtvaardige zaak strijdt en hiervoor de grootste gevaren trotseert, onverschillig voor de consequenties voor hemzelf. Het is een archetype die je in bijna elke Hollywood-film terug kunt zien, telkens in een andere aankleding. Alle mensen die wij als ultieme rolvoorbeelden bewonderen en die een aura van heiligheid over zich hebben, beantwoorden aan datzelfde beeld: Mahatma Ghandi, Martin Luther King, Nelson Mandela… Maar los van dit aspect van belangeloze zelfopoffering, heeft ‘lef’ ook in de meer opportunistische wereld van de economie een enorme status, die zijn weerslag vindt in de huidige cultus van het ondernemerschap. Ondernemerschap betekent risico’s durven nemen, zijn nek durven uitsteken, kansen pakken, verder gaan daar waar anderen stoppen… Ondernemerschap is momenteel een universele waarde aan het worden: leidinggevenden, medewerkers, ambtenaren, academici, werkzoekenden… iedereen moet meer ‘ondernemer’ worden.

Hoe misselijkmakend is daarentegen de lading die kleeft aan lafheid. In films steekt de lafhartige schurk, die enkel aan zijn eigenbelang en zijn eigen hachje denkt, schril af tegenover de moedige held. Lafheid wordt met hoon en misprijzen onthaald. Brenninkmeijer verwijst als voorbeeld naar de kapitein van de Costa Concordia die voortijdig zijn schip verliet. Zeker een leider moet zich altijd sterk en onversaagd opstellen, ook al verkeert hij of zij zelf in de grootste twijfel en onzekerheid. Want zo gaat de redenering: als de leider openlijk twijfelt, hoe vertwijfeld moeten dan de medewerkers wel niet zijn? Lafheid zit diep verscholen in onze culturele schaduw. En wat geldt voor lafheid, geldt in principe voor alle vormen van angst, twijfel en onzekerheid.

Natuurlijk zijn we allemaal soms/vaak laf of voelen we ons angstig. Het is niet alleen taboe om dit te laten merken, we hebben het ook erg moeilijk om dat voor onszelf te aanvaarden. Als ik even naar mezelf kijk, dan merk ik dat mijn gevoel van zelfwaarde sterk samenhangt met het tonen van lef en het overwinnen van lafheid. Maar ik moet helaas toegeven dat ik ook behoorlijk laf kan zijn: ik durf  bijvoorbeeld een groep jongeren niet tot de orde roepen als ze te veel lawaai maken, mensen lastig vallen, afval op de grond gooien of anderszins voor overlast zorgen. Ik probeer mijn lafheid dan voor mezelf te rationaliseren (‘Ach het lawaai valt wel mee’, ‘Als je er iets van zegt, wordt het alleen maar erger’) om het voor mezelf verteerbaar te houden en mezelf onder ogen te kunnen blijven zien. Maar door deze daad van lafheid voel ik me in feite rotslecht, enorm beschaamd en schuldig. Het ondermijnt mijn hele zelfbeeld en blijft soms dagen aan mij vreten.

Zou er niet een enorme last van ons afvallen als we aan onszelf en aan anderen gewoon zouden kunnen toegeven dat we ook even goed laf zijn? Brenninkmeijer merkt in zijn praktijk als trainer dat het loslaten van het oordeel dat laf niet deugd, heel bevrijdend werkt. Volgens Brenninkmeijer vinden lef en laf elkaar in kwetsbaarheid: ”Het is het vermogen kwetsbaar te zijn, waardoor we onze angst en lafheid kunnen voelen en tegelijkertijd ons verlangen om moedig te zijn. Kwetsbaarheid is wat we niet graag zijn, maar wat we als moed bewonderen wanneer anderen het zijn.” We denken dat het tonen van kwetsbaarheid altijd genadeloos wordt afgestraft, maar is dat wel zo? Getuigt het juist niet van veel lef als je durft toegeven dat je je angstig of laf voelt? Zouden we niet veel authentieker en echter zijn als we juist heel open zouden zijn over onze momenten van lafheid, in plaats van te doen dat we nooit laf of angstig zijn? En geldt dit ook niet voor leiders, die durven toe te geven dat ze het ook even niet weten of dat ze iets niet aandurven.

En zouden we op die manier niet tot betere oplossingen komen? Is het openlijk uitspreken angst en onzekerheid niet beter dan het aangaan van heilloze confrontaties – waarvan we de (zelf)destructieve gevolgen maar al te goed kennen – alleen omdat we een stap terug niet aan onszelf en onze omgeving kunt verantwoorden en ons gezicht niet willen verliezen? Hierdoor zouden veel roekeloze ondernemingen voortijdig zijn gestopt. Brenninkmeijer geeft lafheid een plaats terug en onderzoekt de positieve aspecten ervan. Lafheid zorgt voor zelfbescherming, dat de zaken blijven zoals ze zijn, dat er een zekere continuïteit is in wat we doen. Het vormt het noodzakelijke tegengewicht voor te groot risicogedrag en brokkenmakerij. Is de kredietcrisis niet ontstaan door een te veel aan lef en doorgeslagen branie?

Ik denk zelf dat we op dit vlak meer een voorbeeld zouden moeten nemen aan dieren, die zonder problemen schakelen tussen vechten en vluchten. Ik vind het een mooi beeld van twee tijgers of twee mannetjesherten die tegenover elkaar staan voor de strijd, waarna er eentje (voortijds) het veld moet ruimen, al of niet na een korte krachtmeting. Deze vlucht of druipt af, wellicht met enkele schrammen of gewoon met de staart tussen de benen, maar zonder schuldgevoel of gedeukt ego. Dieren zitten daar niet zo mee, met die lafheid.

(*) Verschenen als hoofdstuk 8 van het boek van Adriaan Bekman, ‘Zorg voor Zin, Leiderschap en zingeving’, Van Gorcum, 2013

Print deze pagina