OPWAAIENDE HOOFDDOEKEN EN DE KUNST VAN HET PARADOXAAL (STAD) BESTUREN

Goed besturen is continu balanceren tussen tegenpolen: tussen diversiteit en samenhang, tussen bedrijvigheid en ademruimte, tussen beton en wilde natuur, tussen betrokkenheid van de burger en bestuurlijke slagkracht, tussen strakke ordening en creatieve chaos… In een stad waar het goed is om te wonen en te werken zijn steeds telkens beide polen nodig (‘en/en’). Te vaak wordt er in het bestuur van een stad eenzijdig ingezet op één pool en wordt de tegenpool licht tot zwaar verwaarloosd (‘of/of’). Dan ligt de politieke nadruk weer op sociale integratie dan weer op lik-op-stuk-beleid; dan gaan de beleidsinspannigen uit naar leefbaarheid (parken), dan naar economische bedrijvigheid (parkeerplaatsen)… Het slingert vaak van links naar rechts en weer terug. Natuurlijk zijn correcties in één richting soms nodig, maar nooit zonder de noodzakelijke tegenpool uit het oog te verliezen.

Wil het balanceren tussen tegenpolen zeggen dat we tot een soort bloedeloze compromissen moeten komen? Of dat we alles moeten opdelen in strikt gescheiden stedelijke functies, zoals de traditionele ruimtelijke indeling in woonzone, groenzone, ontspanzone, zorgzone, bedrijfszone… Interessant spoor is juist het zoeken naar mengvormen waar beide tegenpolen sterk tot hun recht komen en elkaar creatief kunnen versterken: een bejaardenhuis met een kindercrèche, een begraafplaats met een gezellige ontmoetingsfunctie, een bedrijfsgebouw met stadslandbouw op het dak, een micronatuurgebiedje op een braakliggende stukje grond, fresco’s op lelijke muren… De oplossingen zie zo ontstaan hebben een hoog ‘1+1=3’-gehalte.

Betekent het dat we dit evenwicht krampachtig dienen te bewaken en veilig te stellen via allerlei inperkingen, verbodsbepalingen en regels? De sleutel ligt er juist in om ruimte geven aan de verschillende stromen (en tegenstromen) die opborrelen uit de samenleving. Vaak houden deze tegen(stromen) elkaar vanzelf in evenwicht, mits er frank en vrij over gesproken kan worden. Dit geldt ook voor die stromen die op het eerste gezicht verwerpelijk zijn, zoals xenofobie, fundamentalisme of vandalisme. Racisme en xenofobie zijn vaak extreme manifestaties van in oorsprong authentieke behoeften: aan eigenheid, bekendheid en veiligheid. Behoeften die te lang zijn veronachtzaamd, te snel ‘als bekrompen denken’ zijn weggelachen en die in ieder geval te weinig au sérieux zijn genomen, waardoor ze steeds extremere vormen moesten aannemen om nog gehoord te worden. We lossen ze niet op door ze trachten te bestrijden of in te perken. Daardoor worden ze alleen maar sterker. Op zich is elke behoefte authentiek en legitiem, het is maar hoe we deze op een positieve en maatschappelijke aanvaardbare manier kunnen vormgeven. Neem bijvoorbeeld het enthousiasme waarmee grafittikunstenaars in Antwerpen hun kunst konden bedrijven op een door de stad beschikbaar gestelde muur, waardoor de drive tot vandalisme juist sterk wordt verminderd.

Wat zou het betekenen als we meer op een ‘en/en’-manier naar maatschappelijke problemen zouden kijken? Bijvoorbeeld bij de aanpak van de problematiek van allochtonen en integratie, waarbij ook nog vaak in ‘of/of’-termen gedacht: ofwel harde repressie ofwel zachte integratie, ofwel het benadrukken van de eigenheid en de dominantie van de autochtone cultuur (‘eigen volk eerst’) ofwel het naïef omarmen van diversiteit in het politiek correcte multiculturalisme. Enkele bedenkingen in dit verband vanuit ‘en/en’-perspectief:

  1. Benoem de verschillen om ze te kunnen overstijgen. Als meerdere groepen met een verschillende etnische, culturele, religieuze achtergrond of taal samen moeten leven op dezelfde gebied leidt dit altijd tot spanningen. Dit is een universeel gegeven dat zich overal en doorheen heel de geschiedenis voordoet. Het zit immers ingebakken in de rol van een (etnische, culturele,…) identiteit zelf. Die identiteit is er op gericht om zichzelf te bevestigen door juist de verschillen met andere groepen te onderstrepen. Het maakt daarbij niet uit of die andere groep nu Marokkanen, Walen of ‘Ollanders’ zijn. Vaak liggen er aan deze onderlinge competitie ook harde sociaal-economische drijfveren aan ten grondslag. Heel normaal dus dat dit alles gebeurt. Dit betekent dat de problemen die er mee samenhangen, ook zo open en duidelijk mogelijk moeten worden uitgesproken. Het ontkennen of het uit misplaatst moreel schuldgevoel niet durven benoemen van deze problemen (en het moreel veroordelen van iedereen die dat wel doet), heeft er juist toe geleid dat extreemrechtse partijen konden floreren. Want wat niet bovengronds kan worden uitgesproken, gaat ondergronds gisten en radicaliseren. Deze benadering houdt ook het wegnemen van morele schuldcategorieën in. Als Vlaamse werkgevers afkerig zijn om Marokkaanse jongeren in dienst te nemen, kun je daar wel moreel uiterst verontwaardigd over doen, maar het is veel constructiever om dit beschouwen als een ‘fact of life’: een normale reflex van mensen die mogelijke bedrijfsrisico’s willen vermijden (risicovol omdat het onbekend is of reeds een slechte reputatie met zich meedraagt). Beter dan moreel te veroordelen is te kijken hoe deze (waargenomen of reële) risico’s kunnen worden weggenomen. Het scherp durven benoemen van de problemen is sterk verbeterd ten opzichte van de periode toen het politiek correcte multiculturalisme de boventoon voerde. Maar de poging om het woord ‘allochtonen’ te vervangen door ‘minder stigmatiserende’ woorden lijkt eerder een stap in de omgekeerde richting. Als problemen onbenoembaar en onbespreekbaar worden, dan gaan ze ondergronds. Dan zeg je wel netjes ‘Belg van Marrokaanse origine’ of ‘Roemeense Gentenaar’ maar denk je eigenlijk iets heel anders. Kortom, over verschillen moet gesproken kunnen worden… en vooral smakelijk kunnen gelachen worden.
  2. Via eigenheid naar openheid. Eigenheid enerzijds en openheid voor het andere anderzijds zijn twee tegenpolen die met elkaar samenhangen en elkaar nodig hebben. Het omarmen van ‘het andere en het vreemde’ zonder een even grote aandacht aan het bevestigen van de eigen eigenheid is een illusie. Waar het in het integratiebeleid vaak misloopt is het eenzijdig inzetten op integratie, zonder de eigenheid een prominente plaats te geven. Het sleutelwoord hierbij is zelfvertrouwen. Pas als je tevreden bent over jezelf en zelfvertrouwen hebt in je eigen waarde, ben je ook in staat het vreemde te exploreren en het goede ervan over te nemen. Als je jezelf daarentegen angstig of  minderwaardig voelt, dan zal je je eerder van het vreemde afkeren of zelfvertrouwen opbouwen door je juist tegen het andere af te zetten. Hefboom is dus vooral om dit zelfvertrouwen te ondersteunen. Zelfvertrouwen ontwikkelt zich door de waarde die je maatschappelijk kunt bijdragen. Dat kan economisch zijn (de nijvere Chinees of Pakistaan met restaurant cq. nachtwinkel) maar ook cultureel (de zwarte rappers in de V.S.), sportief (zwarte atleten), etc. Het betekent eerst de waardering en bevestiging van de eigen identiteit. Pas als die identiteit sterk genoeg is, kun je de stap maken naar de ander. Het is een illusie te verwachten dat allochtonen hun eigen identiteit gewoon zullen inruilen voor een westerse identiteit, want dat leidt juist tot een identiteit die vis noch vlees is, een uiterst oncomfortabele situatie waarbij je tussen twee stoelen valt en eigenlijk nergens bijhoort.  Pas als je jezelf een gewaardeerde allochtoon voelt, kun je vanuit deze evenwaardige positie, ook volledig openstaan voor de andere (westerse) identiteit en je zelf deze eigen maken. Hetzelfde principe geldt natuurlijk voor de Belg of de Nederlander. De kracht van een dubbele identiteit in plaats van de impasse van de halve identiteit. Vanuit deze dubbele identiteit kan weer een nieuwe ‘1+1=3’-identiteit groeien.
  3. Wees bikkelhard in het bestrijden van overlast maar begripvol en tolerant voor alles wat symboolwaarde heeft.  Het kordaat en doortastend aanpakken van overlast – of dit nu van allochtone dan wel van autochtone oorsprong is – neemt een belangrijk gevoel van onveiligheid weg, namelijk dat criminaliteit en overlast gewoon ongestraft kunnen gaan. De softe manier waarmee deze zaken soms worden aangepakt, is voor doorwinterde amokmakers een lachertje. Het is in bepaalde subculturen zelf een ereteken als je weer eens door de politie wordt opgepakt (en daarna weer op vrije voeten wordt gesteld). Maar het ingaan tegen zaken die geen directe overlast berokkenen en een belangrijke cultureel-religieuze symboolwaarde hebben (zoals hoofddoeken, boerka’s en baarden),  heeft juist een averechts effect. Hoe meer je daar tegenin gaat, hoe meer tegenreactie (aantasting van eigen overtuiging en levenswijze) en hoe meer de aantrekkelijkheid ervan. Hierdoor wordt de polarisatie en radicalisering alleen maar aangewakkerd. Als men Vlaamse leeuwenvlaggen zouden verbieden, zou ikzelf, die toch niet zoveel heeft met dit symbool van Vlaamse identiteit, ook sterk de aandrang voelen om te gaan vendelzwaaien.

Echter, vanuit principes praten over deze zaken, lost niet zo veel op. We zijn pas bereid is om ons open te stellen voor iets wat anders is, als we het hebben leren kennen en er ons mee hebben leren verbinden. De vraag is hoe we die diversiteit – die de kern het grootstedelijk leven uitmaakt – onderling kunnen verbinden? Hoe kunnen we in een omgeving waar het individu centraal staat de maatschappelijke cohesie versterken en isolatie tegengaan? Er wordt vaak geklaagd dat niemand meer met elkaar praat en dat er alleen nog maar wordt gecommuniceerd via de sociale media. Waarom dan niet van een nood een deugd maken, en een soort stadsfacebook/twitter/yammer op zetten, waarop iedereen in je straat, buurt, wijk, district… is aangesloten? Een virtuele ontmoetingsplaats waar je kunt vragen wie er nog een wafelijzer heeft of wie een nieuwe ritssluiting kan zetten in je jas; waar je kunt aangeven welk gat in de markt er is in je straat of buurt; waar je grote en kleine ergernissen op kwijt kunt (die vuilniswagen op het ochtendlijke spitsuur); waar je problemen en misstanden kunt signaleren; waar je buurtfeesten en initiatieven mee kunt organiseren; waar je je ideeën en projecten kunt lanceren; waar je een direct kanaal hebt naar de gemeentelijke instanties en waardoor de overheid ook weet wat er leeft… En wat het belangrijkste is, waardoor je de mensen in je onmiddellijke omgeving beter kunt leren kennen en je je ook sterk verbonden voelt met je buurt en je stad.

Print deze pagina